De “black friday” van musea: enkel vakantieweekenden rendabel

Gisteren was ik bij een marketingbijeenkomst aanwezig voor musea. Het was een kleine bijeenkomst, maar dat gaf ons juist de mogelijkheid om bij collega-musea een “kijkje” achter de schermen te nemen. Tijdens de brainstormsessie sneed een van de public relations medewerkers een interessant onderwerp aan: “Wij richten ons alleen nog maar op de lente-, zomer- en herfstvakantie”.

Het is een interessante uitspraak omdat wij zelf worstelen met de lage bezoekerscijfers tijdens de weekdagen. Het bleek dat ook de andere (kleine) musea hier ook mee worstelden. Het is niet rendabel om de hele week open te zijn als er (nog niet eens) een handjevol bezoekers langskomen. Waarschijnlijk zou het alleen maar kosten besparen als deze musea doordeweeks sluiten en in het weekend open zijn.  Alle bezoekers komen namelijk in het weekend. Sterker nog: ze komen in de vakantieweekenden.

Dit fenomeen werd tijdens de bijeenkomst ook wel de “black friday” van musea genoemd. Door slechts een aantal vakanties en vakantie-activiteiten, kunnen de musea zwarte cijfers draaien. Toch proberen deze musea met man en macht om ook op de andere dagen bezoekers te krijgen. Het probleem is immers dat als alle musea zich op de vakanties richten, de concurrentie nog moordender wordt dan hij al is.

Het is dan ook geen rare keuze van dat ene museum om wél open te zijn, maar geen tijd, geld en energie meer te steken het trekken van bezoekers tijdens werkweken. Het bespaart kosten en zorgt ervoor dat ze zich beter kunnen richten op hun USP-activiteiten. De boodschap was: stop met het investeren van tijd in de vaste exposities en stop met het creëren van naamsbekendheid. De belangrijkste pijlers voor de kleine musea zijn de extra activiteiten zoals workshops, kinderdagen, feestjes en wisselexposities. Focus op die kernpilaren waar het museum winst mee kan maken en stop met het trekken aan dode paarden. De kleine musea moet het hebben van de “black friday”.